Geschreven door Juliette Poelman
Gepubliceerd op 16 oktober 2025
Het juridische kader achter een faillissement
De faillietverklaring is een ingrijpend middel met verstrekkende gevolgen voor zowel schuldenaar als schuldeiser. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het zogeheten pluraliteitsbeginsel: een faillissement kan in beginsel alleen worden uitgesproken indien er meer schuldeisers bestaan. In deze publicatie wordt toegelicht wat dit beginsel inhoudt, welke rol de zogenoemde ‘steunvordering’ speelt, en wanneer sprake is van de toestand waarin een schuldenaar heeft opgehouden te betalen.
Het pluraliteitsbeginsel
Bij een faillissement wordt beslag gelegd op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van alle schuldeisers.1 Het faillissement wordt verklaard bij rechterlijk vonnis op verzoek van één of meer schuldeisers, of op eigen aangifte van de schuldenaar.2 Indien redenen van openbaar belang bestaan, kan ook op verzoek van het Openbaar Ministerie de faillietverklaring worden uitgesproken.3 Artikel 1 lid 1 van de Faillissementswet (‘Fw’) bepaalt dat voor een faillietverklaring vereist is dat de schuldenaar zich in een toestand verkeert waarin hij heeft opgehouden te betalen. In beginsel kan er slechts sprake zijn van deze toestand indien meer dan één schuldeiser bestaat.4 Dit wordt ook wel aangeduid als het pluraliteitsbeginsel. Om aan dit beginsel te voldoen, moet blijken uit de aangifte of het verzoekschrift dat er meer schuldeisers onbetaald zijn gelaten. Deze tweede vordering wordt de ‘steunvordering’ genoemd.5
“Een faillissement kan in beginsel alleen worden uitgesproken indien er meer schuldeisers bestaan.”
Steunvordering
Het is niet vereist dat een steunvordering opeisbaar is en de omvang van deze vordering hoeft ook niet vast te staan.6 Tevens hoeft de steunvordering geen betrekking te hebben op de betaling van een geldsom.7 Het is voldoende dat de vordering ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend opdat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt, eventueel na toepassing van artikel 133 Fw.8 Een toekomstige vordering kan echter niet als steunvordering dienen, omdat het onvoldoende zeker of zo’n vordering daadwerkelijk zal ontstaan.9 Voorts hoeft de schuldeiser van de steunvordering geen goedkeuring te geven voor het gebruik van zijn vordering bij de faillissementsaanvraag. Ook hoeft de schuldeiser van de steunvordering niet aan te dringen op betaling of enig belang te hebben bij het faillissement van de schuldenaar.10 Eveneens is het niet van belang of de vordering wordt betwist.11
Geen steunvordering
Hoewel het pluraliteitsvereiste in eerste instantie vrij eenvoudig oogt, kunnen zich complexe situaties voordoen. Bijvoorbeeld wanneer twee schuldeisers zodanig met elkaar verweven zijn, of vorderingen hebben die zodanig met elkaar verweven zijn, dat zij als één schuldeiser worden beschouwd. Indien er verder geen andere schuldeisers bestaan, is er niet voldaan aan het pluraliteitsbeginsel12 waardoor niet voldaan is aan alle vereisten van artikel 1 lid 1 Fw. Een veel voorkomend voorbeeld hiervan is dat van overheidsorganen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de Belastingdienst. Vorderingen van de Belastingdienst worden beschouwd als vorderingen van de Staat. Als de Staat een faillissement aanvraagt en daarbij een vordering van de Belastingdienst als steunvordering gebruikt, is dus niet voldaan aan het pluraliteitsvereiste.13
Toestand van te hebben opgehouden te betalen
Naast pluraliteit van schuldeisers vereist artikel 1 lid 1 Fw dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.14 Nadat is vastgesteld dat er meer schuldeisers zijn, moet dus worden beoordeeld of de schuldenaar zich in deze toestand bevindt.15 Artikel 6 lid 3 Fw bepaalt dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken, indien ‘summierlijk blijkt’ van feiten of omstandigheden die deze toestand aantonen. De eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering wordt gesteld vanwege het doel dat het faillissement dient: het vermogen van de schuldenaar verdelen over alle schuldeisers.16
De rechter is vrij te oordelen over het bestaan van een toestand waarin is opgehouden te betalen.17 Enkele relevante omstandigheden die betrokken kunnen worden bij de beoordeling zijn:
- of de schuldenaar betalingen langer uitstelt dan gebruikelijk in de kring van personen waartoe hij behoort, waarbij tevens de aard van de betreffende schulden in aanmerking wordt genomen;18
- of er duidelijkheid bestaat ten aanzien van het tijdstip van betaling;
- het algemene betalingsgedrag binnen de branche;
- of de schuldenaar erkent niet te kunnen betalen;
- het beleid en betalingsgedrag van de echtgenoot ten aanzien van schulden waarvoor beide echtgenoten hoofdelijk verbonden zijn;
- of andere schuldeisers dan de schuldeiser-verzoeker aandringen op betaling;19
- of met andere schuldeisers dan de schuldeiser-verzoeker betalingsregelingen zijn getroffen;20
- het aantal en de omvang van de steunvorderingen;
- of de schuldeiser-verzoeker en de schuldenaar verwikkeld zijn in een procedure over de vordering van de schuldeiser.21
De beoordeling over het bestaan van een toestand waarin is opgehouden te betalen is zowel in eerste aanleg, als in verzet en hoger beroep gebaseerd op het moment van de uitspraak. Er vindt dus ‘ex-nunc’-toetsing plaats.22 Als de schuldenaar de vordering van de verzoekende schuldeiser en/of de steunvordering betaalt vóór de beslissing, kan daardoor geen pluraliteit van de schuldeisers meer bestaan.23
Conclusie
De faillietverklaring is slechts mogelijk indien aan alle vereisten is voldaan van artikel 1 lid 1 Fw. Ten eerste dient er te zijn voldaan aan het pluraliteitsbeginsel. Daarvoor is vereist dat naast de schuldeiser-verzoeker ten minste nog één andere schuldeiser bestaat met een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend. Deze steunvordering hoeft niet opeisbaar te zijn en hoeft niet te zien op een geldsom.
Een tweede vereiste is dat de schuldenaar zich in een toestand bevindt waarin hij is opgehouden te betalen. Uit artikel 6 lid 3 Fw volgt dat summierlijk moet blijken van feiten of omstandigheden die deze toestand aantonen. De rechter is vrij in zijn oordeel over het bestaan van een toestand van waarin opgehouden is te betalen. Enkele relevante omstandigheden die betrokken kunnen worden bij de beoordeling zijn in deze publicatie aan de orde gekomen. Deze beoordeling vindt plaats naar de situatie ten tijde van de uitspraak. Het pluraliteitsbeginsel en de toestand van opgehouden te betalen vormen zo samen de fundamenten voor een rechtsgeldige faillietverklaring.
Literatuur- en jurisprudentielijst
1. Groot 2020, par. 2.5.3.6.
2. Artikel 1 lid 1 Fw.
3. Artikel 1 lid 2 Fw.
4. Groot 2020, par. 2.5.3.6.
5. Groot 2020, par. 2.5.3.6.
6. HR 11-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.2. (ABN AMRO/Berzona).
7. HR 11-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.2. (ABN AMRO/Berzona).
8. HR 11-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.2. (ABN AMRO/Berzona).
9. HR 11-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, r.o. 3.4.3. (ABN AMRO/Berzona).
10. HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0956, NJ 1993/403 (Swane/Van Dam-Meiss), HR 10 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2076, NJ 1996/524 (Travel Line/CZAV) & Groot 2020, par. 2.5.3.6.
11. HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1502 (Faillissement Leutscher III) & Groot 2020, par. 2.5.3.6.
12. HR 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1792, NJ 1995/733 (Faillissement Damen) & Groot 2020, par. 2.5.3.6.
13. HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1988 & Groot 2020, par. 2.5.3.6.
14. HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743, NJ 2001/550.
15. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, NJ 2014/407.
16. HR 22 maart 1985, ECLI:NL:HR1985:AG4980, NJ 1985/548, r.o. 3.4.1.
17. Groot 2020, par. 2.5.3.6.
18. HR 13 oktober 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4685, NJ 1973/49 (X./Lankhaar).
19. HR 8 december 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0626, NJ 1979/87 (Gemeente Rotterdam/HIM).
20. HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3883 (Offermanns/Lucassen).
21. Groot 2020, par. 2.5.3.6.
22. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98 (X./Unitco).
23. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98 (X./Unitco).



