Wij staan voor u klaar!

Wilt u meer weten over de juridische dienstverlening van Poelman c.s. en wat wij voor uw onderneming kunnen betekenen? Aarzel dan niet en maak een afspraak!

Geschreven door Krijn Lammers

Gepubliceerd op 24 juni 2026

Formele betrokkenheid zonder echte zeggenschap

De bezoldiging van bestuurders vormt al geruime tijd een terugkerend aandachtspunt binnen het ondernemingsrecht. Deze ontwikkeling kwam onder andere door maatschappelijke en politieke onrust over excessieve beloningen aan bestuurders en ongelijke inkomensverhoudingen.1 Sinds het begin van deze eeuw zijn de rechten van de ondernemingsraad ten aanzien van het bezoldigingsbeleid uitgebreid en vastgelegd in Boek 2 BW.

De bevoegdheid om de beloning vast te stellen berust in beginsel bij de algemene vergadering, dan wel bij het daartoe statutair aangewezen orgaan.2 Bij een NV gebeurt dit aan de hand van een door de algemene vergadering vastgesteld bezoldigingsbeleid.3 De ondernemingsraad beschikt daartegenover over informatie- en overlegrechten op grond van de Wet op de ondernemingsraden. Bij een naamloze vennootschap beschikt de ondernemingsraad bovendien over een wettelijk verankerd standpuntbepalingsrecht ten aanzien van het bezoldigingsbeleid.4 De vraag is echter of deze bevoegdheden meer omvatten dan enkel procedurele betrokkenheid.

Juist die spanning tussen formele medezeggenschap en materiële invloed staat in deze blog centraal. Onderzocht wordt welke betekenis de ondernemingsraad in de praktijk heeft bij de vaststelling van bestuurdersbezoldiging. De centrale vraag is of de formele rechten van de ondernemingsraad ook leiden tot daadwerkelijke invloed.

De beperkte invloed van de ondernemingsraad onder de WOR

Binnen de WOR zijn verschillende bepalingen te vinden die raken aan de bezoldiging van bestuurders. Een belangrijk uitgangspunt is het informatierecht. De ondernemer moet de ondernemingsraad ten minste eenmaal per jaar informeren over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep binnen de onderneming, waaronder specifiek ook die van het bestuur.5 Daarnaast geldt dat belangrijke tussentijdse wijzigingen eveneens met de ondernemingsraad moeten worden gedeeld.6

Daarmee heeft de ondernemingsraad in elk geval toegang tot relevante informatie over de beloningsstructuur binnen de onderneming. Dat is niet zonder betekenis. Zonder informatie is medezeggenschap immers weinig waard. Toch moet worden vastgesteld dat informatieverstrekking op zichzelf nog geen invloed op de inhoudelijke besluitvorming oplevert. De ondernemingsraad wordt geïnformeerd, maar beslist niet mee.

“Er is wel sprake van betrokkenheid, maar niet van daadwerkelijke zeggenschap.”

Naast het informatierecht kent de WOR ook een overlegverplichting. De ondernemer moet met de ondernemingsraad in gesprek over de inhoud en hoogte van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen. Deze verplichting heeft als doel om het gevoelige onderwerp bespreekbaar te maken.7

De discrepantie die ontstaat is dat de gesprekspartner in veel gevallen samenvalt met de statutair bestuurder. Dat betekent dat de ondernemingsraad vaak spreekt met degene wiens beloning, of die van diens medebestuurders, feitelijk onderwerp van gesprek is. Daarmee ontstaat een duidelijke spanning. De bestuurder is dan niet slechts gesprekspartner, maar ook belanghebbende. Dat maakt de onafhankelijkheid en de effectiviteit van het overleg minder vanzelfsprekend.

Daar komt bij dat de ondernemingsraad op dit punt geen instemmingsrecht heeft over de hoogte van de bezoldiging. De wetgever heeft het instemmingsrecht beperkt tot belonings- en functiewaarderingssystemen, dus tot de structuur en systematiek van de beloning. De concrete hoogte van de beloning zelf valt daarbuiten.8 Juist daardoor blijft de invloed van de ondernemingsraad onder de WOR in de praktijk beperkt. Er is wel sprake van betrokkenheid, maar niet van daadwerkelijke zeggenschap.

De aanvullende positie bij een NV

Voor naamloze vennootschappen geldt daarnaast een aanvullende regeling in Boek 2 BW. Daar komt de ondernemingsraad een standpuntbepalingsrecht toe bij vaststelling of wijziging van het bezoldigingsbeleid.9 Dat recht houdt in dat de ondernemingsraad zijn standpunt schriftelijk kan kenbaar maken en dat standpunt ook in de algemene vergadering mag toelichten.10 Daarnaast komt de ondernemingsraad adviesrecht toe over het bezoldigingsbeleid.11

Op papier lijkt dat een versterking van de positie van de ondernemingsraad. Het bestuur moet het voorstel tijdig aan de ondernemingsraad voorleggen, zodat deze zich over het beleid kan uitspreken voordat de algemene vergadering besluit. Daarmee beoogt de wetgever onder meer draagvlak te creëren en een meer evenwichtige inkomensontwikkeling te bevorderen.12

Toch blijkt ook hier dat de praktische doorwerking beperkt is. Allereerst vraagt een inhoudelijk oordeel over bezoldigingsbeleid om expertise. Niet iedere ondernemingsraad beschikt over de nodige kennis om een complex beloningsbeleid volledig te doorgronden en daar een stevig juridisch of financieel onderbouwd standpunt over in te nemen.13 Dat maakt de feitelijke waarde van het standpunt soms betrekkelijk.

Daarnaast kan de algemene vergadering het standpunt van de ondernemingsraad over het bezoldigingsbeleid ongemotiveerd passeren.14 Zelfs het ontbreken van een standpunt tast het besluit niet aan.15 Holtzer stelt zich op het standpunt dat daarmee nietigheid dan wel vernietigbaarheid op geen enkele grond mogelijk is, zelfs niet op grond van redelijkheid en billijkheid.16 De enige weg waar Holtzer rechtsgang ziet bij schending van het standpuntbepalingsrecht is de enquêteprocedure.17

Maar ook hier kan men zich afvragen in hoeverre dit daadwerkelijk bijdraagt aan versterking van de positie van de ondernemingsraad. Een enquêteprocedure wordt niet snel toegewezen en het enkele feit dat voorbij is gegaan aan het standpunt van de ondernemingsraad zal daarvoor doorgaans onvoldoende zijn. Daarbij komt dat de ondernemingsraad zelf alleen een enquêteverzoek kan indienen als dit is opgenomen in de statuten van de rechtspersoon.18

Al met al lijkt het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad bij het bezoldigingsbeleid in de huidige vorm vooral een formeel inspraakinstrument, waarvan de praktische invloed op de besluitvorming in de algemene vergadering beperkt blijft.

Conclusie

De ondernemingsraad heeft bij de bezoldiging van bestuurders een duidelijke, maar begrensde rol. Onder de WOR beschikt hij over informatie- en overlegrechten, maar geen instemmingsrecht over de hoogte van de beloning. Voor naamloze vennootschappen biedt Boek 2 BW daarnaast een standpuntbepalingsrecht bij het bezoldigingsbeleid, maar ook dat recht heeft in de praktijk vooral procedurele betekenis.

Wie de balans opmaakt, komt daarom al snel tot de slotsom dat de rol van de ondernemingsraad bij bestuurdersbezoldiging vooral formeel van aard is. Er is sprake van betrokkenheid, maar niet van echte zeggenschap. De medezeggenschap is daarmee zichtbaar, maar in inhoudelijke zin beperkt. Juist daarin schuilt de spanning die dit onderwerp zo interessant maakt.

Literatuur- en jurisprudentielijst

1. Kamerstukken II 2015/16, 34494, 3, p. 1.
2. Art. 2:135 lid 4 / 2:245 lid 1 BW.
3. Art. 2:135 lid 1 jo. lid 4 BW.
4. Art. 2:135 lid 2 BW.
5. Art. 31d lid 1 jo. lid 2 WOR.
6. Lokin, De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen 2018/270.
7. I. Zaal, ‘Medezeggenschap als middel tegen maatschappelijke onrust: medicijn of placebo?’, TRA 2015/89.
8. Kamerstukken II 1975/76, 13 954, nr. 3 (MvT), p. 35-36.
9. Art. 2:135 lid 2 BW.
10. Asser/Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/101.
11. Art. 2:135a lid 3 BW.
12. Lokin, De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen 2018/362.
13. M. Holtzer, ‘Standpuntbepaling van werknemers over het bezoldigingsbeleid: speak now or forever remain silent’, TRA 2012/15.
14. M. Holtzer, ‘Standpuntbepaling van werknemers over het bezoldigingsbeleid: speak now or forever remain silent’, TRA 2012/15.
15. M. Holtzer, ‘Het spreekrecht van de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap bij belangrijke besluiten’, Ondernemingsrecht 2010/114.
16. M. Holtzer, ‘Het spreekrecht van de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap bij belangrijke besluiten’, Ondernemingsrecht 2010/114.
17. M. Holtzer, ‘Het spreekrecht van de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap bij belangrijke besluiten’, Ondernemingsrecht 2010/114.
18. Art. 2:346 lid 1 onder f BW.

Dit artikel is geschreven door Krijn Lammers. Hij is als juridisch medewerker werkzaam bij Poelman c.s.